Websites schrijf je in een speciale opmaaktaal: HTML. HTML staat voor hypertext markup language, oftewel een opmaaktaal voor hypertekst. Hypertekst is tekst met hyperlinks erin, en links zijn de woorden waarop je klikt om naar een andere pagina te gaan.
Hoe zit HTML in elkaar? Om je tekst op te maken heb je codes nodig. Dat gaat van eenvoudige dingen, zoals tekst vet maken, tot ingewikkelder werk zoals tabellen. Alle codes in HTML staan tussen een kleiner-dan-teken en een groter-dan-teken. De code om tekst vet te maken ziet er zo uit:
<B>Dit is vette tekst</B>
Zo’n code met een kleiner-dan- en een groter-dan-teken heet een tag.
Tags
Gewone code bestaat uit twee tags: een begintag en een eindtag. De begintag ziet er zo uit: <naam> en de eindtag zo: </naam>. Let op het schuine streepje in de eindtag; dat geeft aan dat het om een eindtag gaat. De tekst tussen de tags beschrijft wat er met de inhoud moet gebeuren.
Soms voeg je aan een tag een of meer parameters toe. Zulke tags heten containers en zien er zo uit:
<FONT FACE="Arial">Dit is Arial-tekst</FONT>
De extra parameters mag je weglaten als je ze niet nodig hebt; dan gebruikt de browser de standaardinstelling. Let op: de eindtag bevat die parameters nooit. Je eindtag blijft dus </FONT> en niet </FONT FACE="Arial">.
Er bestaan ook enkele speciale tags die geen eindtag nodig hebben. Dat zijn uitzonderingen; die bespreken we in de lessen zelf zodra we ze nodig hebben.